We zijn twee maanden onderweg in het Amerikaanse avontuur. De dagen zijn lang, maar eigenlijk nog steeds te kort. Studieopdrachten stapelen zich op, en er moet natuurlijk ook nog tijd overblijven om leuke dingen te doen. Toegegeven, die is er nauwelijks.

Ik kom gelukkig wel veel buiten. Ik moet wel: onderweg naar interviews, mensen ontmoeten. Dat is misschien wel het mooiste van de journalistiek, dat het me altijd dwingt uit mijn eigen comfortzone te stappen. Ik ben geen introvert, maar als je me zou vragen of ik op mijn vrije vrijdagochtend om zes uur ’s ochtends op wil staan om iemand te interviewen in San Francisco of me nog een keer om te draaien…

Gelukkig is mijn verantwoordelijkheidsgevoel groot genoeg die verleiding te weerstaan. En daar zit je dan, om half acht, in de enige trein in de Peninsula. CalTrain rijdt van San Jose naar San Francisco en stopt onderweg in een keur aan stations. Het landschap van de Bay Area trekt voorbij. Kleurige huizen, typisch Amerikaanse etalages, tot het landschap heuvelachtiger wordt en je zonder het echt door te hebben middenin San Francisco staat.

Uitstappen op de kruising van Townsend en 4th street, op zoek naar een ticketmachine voor de bus. Niet gevonden. Dan maar lopen. Het kost me een half uur om van het station naar 425 Market Street te lopen, waar ik moet zijn. Zeventiende etage. Het is hier net zo kaarsrecht opgedeeld als in Manhattan.

Als je loopt alsof je weet waar je zijn moet, zullen mensen je ook behandelen alsof je er thuishoort. Ik zie mezelf lopen in de weerspiegeling van de kantoren. Rugzak, tas met statieven, hakken die menigeen te hoog zou vinden om zo’n lange wandeling mee te maken. Het regent voor het eerst niet, deze ochtend.

Ze zijn hier geen regen gewend. Toegegeven, deze keer was het niet louter miezer, er liggen echt plassen water op straat en je wordt echt nat. Maar je bent Nederlander of je bent het niet, dus ik stap gewoon elke ochtend op de fiets. Kijken ze je ook aan alsof je gek bent.

San Francisco is een bijzondere, zinderende, maar ook intimiderende stad. Het financiële district, waar ik vandaag moet zijn, is vergeven van de wolkenkrabbers. Eindeloze kolossen van glas en beton, met daartussen telkens weer een verrassend gebouw. Vier verdiepingen in donkerrood baksteen, of zandkleurig en rijkversierd met bogen en sierkrullen. Het had zo in Parijs of Spanje kunnen staan.

Het lijkt net alsof de stad hier lukraak uit de grond is geschoten. Alle tijdslijnen, culturele periodes lopen door elkaar heen. En helemaal aan de voet van al die gevaarten raast het verkeer. Of nu ja, razen – het is meer “stop, go, stop go,” zoals een van de mensen die ik over een halfuur zal interviewen zal zeggen.

Er zijn mensen die hier proberen te fietsen. Ik vind het dapper, zou het niet durven. Hier en daar zie ik wel speciale fietspaden, maar ze liggen rechtstreeks naast een vierbaansweg waar auto’s, bussen en trams rijden die volgens mij veel te weinig met fietsers te maken krijgen.

Een van origine Duitse die hier al twintig jaar woont vertrouwt me toe: “Ik durf hier wel te fietsen, want ik ben het gewend. Maar ik houd dan ook het mantra aan dat iedereen een idioot is. Altijd uitgaan van het ergste, altijd ervan uitgaan dat ze je niet zien.”

Klinkt als een advies dat ik ook prima op Amsterdam zou kunnen plakken.

Het blijkt dat je jezelf wel degelijk kunt herplanten. Net als een boom heb ik mezelf met wortels en al opgetild en verpot, naar deze plek in het zonlicht. Waar ik meer water krijg dan in Nederland, hoewel het minder regent.

Tegelijkertijd blijven sommige wortels achter, aan de andere kant van de oceaan. En ze worden niet vergeten. Vorige week was ik een weekje in Nederland. Het is verbazingwekkend hoe je een bepaalde Nederlandse burgerlijkheid kunt missen, een bepaalde Europeesheid waarvan ik niet eens wist dat die bestond.

En natuurlijk mijn lieve vriend, familie, vrienden. De mensen die ik graag mee zou willen nemen naar hier. Het blijkt maar weer dat waar je je thuis voelt niet om het uitzicht gaat, maar om de mensen die je meeneemt.

Gelukkig heb ik hier ook nieuwe mensen leren kennen die meer dan de moeite waard zijn om tijd en energie in te investeren. Betrokken, intelligent, dapper, uitgesproken, ambitieus – in een korte tijd raak je op elkaar ingespeeld, leer je elkaar beter kennen dan je misschien gedaan zou hebben in een groep van dertig, of vijftig, of honderd.

Ik kan me niets voorstellen bij hoe moeilijk het moet zijn om te weten dat je familie heeft moeten evacueren voor het verwoestende Camp Fire vuur, dat grote delen van je geboortegrond in as gelegd zijn, dat mensen die je van vroeger kent dak- en thuisloos zijn geworden. En dan toch teruggaan, om het vast te leggen, hun vertalen te vertellen, het met de wereld te delen.

Dat is dapper. En in deze wereld, waar we 24 uur per dag zo veel nieuws over ons heen gestort krijgen – daar is de journalistiek als eerste debet aan – is het soms moeilijk om mensen nog echt te bereiken en te raken. Maar het lukt haar. En het lukt ons. Omdat we geven om het werk wat we doen, omdat we idealen en dromen hebben, en de vastberadenheid om er iets mee te doen.

Als je wil weten met wie ik elke dag optrek, lees hun bio’s hier.

Er heerst hier een academische cultuur zoals ik ‘m in Nederland nog nooit ben tegengekomen. Dat zal waarschijnlijk ook nooit helemaal te reproduceren zijn. En hoe veel ik ook opschrijf, ik zal het nooit helemaal kunnen uitleggen. Maar ik ben blij dat ik de kans heb gekregen het te ervaren.